Bijzonderheden:
Blauwkroontjes slapen en rusten op hun kop.
Om hieraan tegemoet te komen kunnen het best aan de bovenzijde van de kooi enkele stroken gaas gespannen worden of (hang) takken in de volière of kooi aangebracht worden.
Man:
De algemene lichaamskleur is groen.
De borst, buik en onderstaartdekveren zijn geelachtig groen.
Boven op de schedel bevindt zich een donkerblauwe vlek.
Onder de zwarte snavel bevindt zich een rode halsvlek.
De bevedering van de onderrug en de bovenstaartdekveren is rood met op de onderrug een gele band.
De bovenzijde van de rug is goudgeel en de ondervleugeldekveren en de onderzijde van de vleugels zijn groenachtig blauw.
De bevedering van de staart is aan de bovenzijde groen en aan de onderzijde groenblauw.
De irissen van de ogen zijn donkerbruin en de poten zijn vleeskleurig bruin.
Pop:
Het verenkleed van het popje is in het geheel minder intensief van kleur.
Verder zijn de veren van de borst, de buik, en de onderstaartdekveren geler van kleur dan bij de man.
De donkerblauwe schedelvlek en de goudgele rugbevedering is bij het popje slechts zwak aanwezig.
De rode halsvlek en de gele band op de onderrug ontbreken bij het popje.
Het blauwkroontje (Loriculus galgulus) behoort tot de familie van de papegaaien en komt oorspronkelijk uit Indonesië, Thailand en Maleisië.
Uiterlijk:
Het mannetje heeft een blauwe vlek op de kop en een rode keelvlek, het vrouwtje mist beide en is daardoor wat minder kleurrijk.
Al vrij jong zijn zodoende de geslachten te onderscheiden.
De lengte van kop tot staart is ongeveer dertien centimeter.
Sociaal:
Dit vogeltje is heel sociaal en is het liefst in gezelschap van een of meerdere soortgenoten.
Zoals de meeste papegaaiachtigen vliegt hij niet alleen, maar mag hij ook graag klauteren.
Verzorging:
De blauwkroontjes zijn vogels die niet zonder een warme omgeving kunnen.
Daarom mogen ze alleen in de warmste zomermaanden in een buitenvolière gehouden worden.
Zelfs dan moeten ze op een goed beschutte plaats kunnen zitten.
Hun voedsel bestaat uit allerlei zachte vruchten bijvoorbeeld vijgen, bananen, zachte peer, besjes, appels en kleine insecten.
Zachte, geweekte of voorgekookte zaden komen ook in aanmerking, zoals gekookte rijst.
Zijn bijnaam “vleermuisparkiet” is ontstaan doordat hij ondersteboven, hangend aan een tak, gaat slapen.